In het ontstaan van duinen speelt de duindoorn een sleutelrol. Biologen hebben een woord voor dergelijke planten: ‘pioniers’. Die weten onherbergzame of nieuwe stukken land te koloniseren en voorwaarden te scheppen voor de groei van andere planten. Maar in de kuststrook kan de duindoorn dat niet meteen. Eerst doen andere pioniers hun werk, zoals het biestarwegras en helmgras. Die verdragen zelfs het milieu van de zeereep waar de wind langs de benen kan striemen, het zout aan de lippen kleeft en de zon onze huid doet verbranden. Beide planten gedijen goed onder deze omstandigheden en houden met hun lange wortelstokken zand vast dat anders zou verstuiven. Zo ontstaan kleine babyduintjes. Daarna wacht deze planten het lot van alle pioniers: ze komen, vestigen zich en verdwijnen.
Deze twee grasachtige planten vormen als het ware een landbrug vanaf de zee. Daarna komen andere pioniers in zicht, waarvan de duindoorn een van de belangrijkste is. We bevinden ons nu in de strook achter de duinen, waar de elementen nog steeds meedogenloos kunnen zijn. Hier vestigt zich de duindoorn als eerste houtige gewas in taaie, gedoornde struwelen. Oh, arme wandelaar, die zich door een haag van duindoorns probeert te wurmen! Niet voor niets heet deze plant duindoorn. Het achtervoegsel ‘rhamnoïdes’ van de Latijnse naam duidt hier ook op: rhamnus is doorn. Een stekelige pionier dus.