Voor de Duitse schrijver Hermann Hesse was de iris een bron van inspiratie. Hij wijdde aan de Duitse Lis het sprookje Iris. Centraal daarin staat de naar volwassenheid groeiende jongen Anselm. Als kind sprak hij met ‘kiezelstenen, was bevriend met kevers en hagedissen, vogels vertelden hem vogelverhalen’. Van alle levende wezens was de iris hem het meest dierbaar. Als hij in haar bloem keek las hij ‘het boek der wonderen’ en zag ‘de sleutel tot de schepping’.
De iris maakte hem duidelijk dat ‘al het zichtbare een gelijkenis is en dat daarachter de geest en het eeuwige leven schuilgaan’. Maar de tuin, beeld voor de jeugd, gaat dicht. Anselm vertrekt naar de grote stad waar hij uitgroeit tot gerespecteerd en ijdel man. Daar ontmoet hij een vrouw... Iris. Hij vraagt haar ten huwelijk maar ze houdt af. Ze vindt dat hij te veel met de uiterlijke dingen van het leven bezig is. Ze stelt hem een vraag: ‘Ga heen en zie dat je in je herinnering datgene terugvindt waaraan mijn naam je doet denken’. Maar voordat hij een antwoord op deze vraag kan vinden, sterft ze.
Toch gaat Anselm door en bezoekt zijn geboortegrond, de magische tuin uit zijn jeugd. Daar komt hij aan bij een rotsspleet waarvoor een wachter staat. Hij gaat naar binnen en ziet een blauw pad met aan weerszijden gouden zuilen: de irisbloem! Hij beseft dat de rots ‘Iris was, wier hart hij betrad’ en hij ‘verzonk in het geheim dat achter alle beelden ligt’.