Vaak wordt de roos geassocieerd met het woord ‘liefde’. De bron daarvoor ligt in de Oud-Griekse tijd. De roos was toen een attribuut van Afrodite, de dochter van de oppergod Zeus. Ze was de godin van vruchtbaarheid, liefde en eeuwige schoonheid. Ze was zó mooi dat mensen en goden haar niet konden weerstaan. Botticelli heeft Afrodite op een bijzondere manier weergegeven op zijn wereldberoemde schilderij waarop Afrodite boven het water zweeft, staande op een reusachtige schelp, door de westenwinden naar de kust van het eiland Cythera geblazen. Botticelli laat de rozen in een zwerm om Afrodite heen dwarrelen. De rozen staan hier voor de zuivere, onschuldige liefde.
Ook in verhalen rondom het bijbelse genesisverhaal speelt de roos een symbolische rol. God verdreef de mens uit het paradijs nadat Adam en Eva van de verboden vruchten hadden gegeten. Na deze zondeval werd de mens zich bewust van het goed en het kwaad, maar ook van zijn naaktheid, en hij schaamde zich voor het eerst. De paradijselijke liefde ging over in de lichamelijke liefde.
De witte roos uit de tuin van Eden, die Eva volgens een legende na de zondeval meenam, verkleurde naar rood. En rood, dat is de kleur van de begeerte en van het bloed dat bij menstruatie en geboorte vrijkomt. Uit het paradijs gedreven werd de mens zelfbewust, maar ook sterfelijk, waarmee de rode roos ook een symbool is voor de vergankelijkheid van het leven en de liefde. De Romeinen versterkten de rode kant van de roos door de liefdesrozen te verbinden met wijn. Het verhaal gaat dat Cupido, de god van de liefde, per ongeluk een glas wijn omgooide van Bacchus, de god van de wijn. En uit de plas groeide een rozenstruik.