Ik wil hier een ander reisverhaal tegenover zetten. Een gezin met twee kinderen, waarvan de jongste vier maanden is, vliegt naar Australiƫ om de grootouders daar te bezoeken. De moeder heeft het zo geregeld dat ze pas weer hoeft te gaan werken als de baby zes maanden is. Moeder en kinderen blijven zeven weken bij de grootouders, de vader voegt zich later bij hen. De reis is zwaar omdat de baby nauwelijks tot slapen komt.
De eerste dagen in Australiƫ is hij van slag en huilt veel. Daarna lijkt hij te wennen aan het nieuwe dag- en nachtritme en herkent zijn moeder in hem weer de vertrouwde makkelijke en gezellige baby. De grootouders genieten met volle teugen van hun kleinkinderen en ook voor de moeder is het een heerlijke tijd omdat ze veel zorg uit handen kan geven. Terug in Nederland is het weer flink wennen, maar gelukkig heeft de moeder voor ze aan het werk moet nog een week de tijd om de boel weer in het gewone ritme te krijgen. Dat blijkt net voldoende te zijn.
Het grote verschil met het vorige veraal is lengte van de reis. Ook deze baby moest twee keer van ritme wisselen, maar kreeg daar wel echt de tijd voor. Verder had deze reis een vanzelfsprekender plek binnen het gezin dan de reis uit het eerste voorbeeld: er wachtten aan het einde van de lange reis een tweede thuis en een opa en oma die ook een beetje recht hebben op hun nieuwe kleinkind.