Zoeken | Contact | Professionals


Een schoolkind slaapt normaal gesproken elf uur, een kind van een jaar of twee twaalf uur en een pasgeborene zestien uur per dag. Logisch: een baby moet vooral groeien, heeft nog maar weinig waar te nemen en nog niets met z’n verstand te snappen. Maar er is meer aan de hand. Slapen is namelijk een door en door ritmisch proces.

Als een kind ter wereld komt, kan het nog niet slapen. Dat moet het, hoe vreemd dat misschien ook klinkt, nog leren. Door in een slaapritme te komen wordt het aardeburger, mens onder de mensen. Dat wordt het natuurlijk ook door andere invloeden als voeding, warmte, koude, gezelligheid, geluiden, liefdevolle bejegening enzovoort. Maar door de afwisseling tussen slapen en waken leert het geleidelijk om in een 24–uursritme te komen.

Het allereerste ritme ontstaat na zes tot acht weken. Het is dan echter nog geen 24-uursritme maar een ritme dat zich uitstrekt over een periode van 25 uur. Daardoor verschuiven de slaaptijden en wordt een baby, die eerst om vijf uur wakker werd, een dag later om zes uur en weer een dag later om zeven uur wakker. Langzaam maar zeker verschuiven de slaaptijden en pas met een maand of drie komt een 24-uursritme tot stand.

In het eerste levensjaar is er behalve de nachtslaap nog een ochtend- en een middagslaap. Het tweede jaar alleen nog een middagslaapje. In deze eerste twee jaren maakt het nog niet zoveel uit of het donker is in het slaapvertrek. Het kind slaapt toch wel. Maar daarna komt de tijd dat het wel degelijk scheelt of de gordijnen dicht zijn of niet. Dat betekent dat de slaap mede wordt bepaald door het licht, door de zon. Vanaf dat moment kan bijvoorbeeld het begin van de zomertijd het ritme grondig verstoren.

Een kind kan zich verbinden met de aarde doordat het tot in zijn slaap-waakritme wordt beïnvloed door de zon. Bij mensen die in een onderzeeër of anderszins in het duister leven, verdwijnt het 24-uursritme al snel en daar komt het ‘oude’ 25-uursritme weer voor in de plaats.