door Paulien Bom
Voedingsperikelen in het eerste jaar Van de borst naar de boterham. Dat is in een notendop het voedingspatroon in het eerste levensjaar. Maar dat loopt niet altijd van een leien dakje. Als je baby niet goed gedijt, helpt vooral een brede kijk op zijn ontwikkeling, zegt consultatiebureauverpleegkundige Paulien Bom. Bij de zuigeling hangt immers alles nog met elkaar samen.
De ontwikkeling die een gezonde zuigeling in het eerste levensjaar doormaakt, is enorm. Van liggen naar zitten en staan, van niet zelf van een plek kunnen komen, naar kruipen en soms ook lopen, van borst (of fles) tot boterham. Ondertussen wordt ook het gewicht nog verdrievoudigd. Een hele prestatie, waar een baby alleen toe kan komen als hij liefdevol wordt verzorgd en gevoed, als hij genoeg warmte (ook letterlijk) krijgt aangeboden en in de gelegenheid is voldoende te bewegen en te slapen. Dan kan een kind op een gezonde manier bezit nemen van zijn lijfje en de wereld gaan verkennen.
Toch gaat dit lang niet altijd vanzelf. Het kan zijn dat een kind niet voldoende aankomt, dat het de borst weigert, dat het de hele dag (en soms ook de nacht) alleen maar hapsnap wil drinken of dat het de overgang naar vaste voeding niet accepteert. Zelden ligt de oorzaak daarvan in een enkel onderdeel. Op deze leeftijd, waarin alles nog in beweging en ontwikkeling is, hangt alles met elkaar samen en beïnvloedt bijvoorbeeld het slaappatroon ook het eetgedrag. Dat vraagt dus om een brede kijk op het geheel.