Ergens in de eerste zes � zeven maanden komt het moment dat een baby naast de voeding die hij kan zuigen, ook voeding krijgt van een lepeltje. Dat is in de meeste gevallen fruit of groente, kort gezegd bijvoeding. Ik ben zelf groot geworden in een tijd dat baby’s vanaf een week of zes wat sinaasappelsap bijgevoed kregen omdat er anders tekorten zouden ontstaan. Later is ontdekt dat borstvoeding in principe tot zes maanden volledig is en heeft men dat vroege starten met bijvoeding gestaakt. Ook de industriële flesvoedingen werden nadien zo vervaardigd dat er tot zes maanden geen bijvoeding gegeven hoefde te worden, wat met name voor kinderen met een allergische aanleg goed bleek te zijn.
Ook als er geen sprake is van zo’n aanleg bij hun kind, willen veel ouders graag tot zes maanden wachten met bijvoeding. Het is echter gebleken dat het niet verstandig is om, als het niet echt noodzakelijk is, zo lang te wachten. Want ook hier kun je voeding weer niet los zien van de gehele ontwikkeling van je kind. Vanaf een maand of vier raakt een baby geïnteresseerd in zijn omgeving. Het ontdekt zijn handjes, leert pakken en wil alles in zijn mond steken. Als een kind van die leeftijd bij je op schoot zit en merkt dat je iets eet, wil het dat ook. Het wil proeven en likken, oftewel: het wil via de mond, de lippen en de smaak de buitenwereld leren kennen. Dit is de meest gunstige fase om met bijvoeden te beginnen omdat je dan aansluit bij de natuurlijke ontwikkeling. Wacht je veel langer, dan zal je baby meer moeite hebben de dikkere voeding en de nieuwe smaak te accepteren.